Burgerlijk recht

Verjaring op grond van art. 3:310 lid 1 BW: de eis van bekendheid met de schade en met de voor de schade aansprakelijke persoon.

In 2003 heeft HBU een fonds dat belegde in termijntransacties in bollen van nieuwe tulpenrassen aan cliënten aangeprezen en hun beleggingen in het fonds gefinancierd. Een van de cliënten van HBU heeft voor € 303.000 in het fonds belegd. Het fonds is echter eind 2006 als gevolg van fraude gefailleerd en de inleg van de HBU-cliënt is geheel verloren gegaan. Een kleine zeven jaar later, bij brief van 5 augustus 2013, stellen zijn erfgenamen de rechtsopvolger van HBU, Deutsche Nederland, aansprakelijk voor de schade. Deutsche Nederland beroept zich onder meer op verjaring van de schadevergoedingsvordering (art. 3:310 lid 1 BW). Het hof honoreert dit beroep, op de grond dat de HBU-cliënt door het faillissement van het fonds in 2006 voldoende zekerheid had verkregen dat zijn schade was veroorzaakt door tekortschietend handelen van HBU. De erfgenamen van de cliënt klagen in cassatie onder meer over het oordeel van het hof dat de verjaringstermijn met het faillissement in 2006 is gaan lopen omdat de cliënt toen bekend was met zijn schade. Die klacht wordt verworpen door HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:20 (X/Deutsche Nederland). Het oordeel van het hof dat het door het faillissement van het Fonds voor de cliënt voldoende zeker was dat hij niet zijn volledige inleg zou terugkrijgen en dat hij dus schade leed, omdat het in een faillissement zelden tot een (volledige) uitkering aan de concurrente schuldeisers komt, is feitelijk van aard en niet onbegrijpelijk. De stelling dat van bekendheid met de geleden schade pas sprake was toen de curator meedeelde dat het faillissement bij gebrek aan baten was opgeheven, stuit daarop af.

In zijn standaardarrest van 31 oktober 2003, NJ 2006/112 (Jasper Saelman) heeft de Hoge Raad de voorwaarden van art. 3:310 lid 1 BW voor het begin van de verjaringstermijn – bekendheid met de schade en bekendheid met de aansprakelijke persoon – over de band van de eis van bekendheid met de schade (vgl. HR 24 januari 2003, NJ 2003/300 (BASF/Rensink) en HR 10 september 2010, NJ 2012/195 (Scheele/BVLF)) uitgebreid tot bekendheid met het verband tussen (reeds bekende) schade en (reeds bekende) schadeveroorzaker. Dat verband stelt de benadeelde in staat om het handelen van de schadeveroorzaker te kwalificeren als een (tot aansprakelijkheid leidende) onrechtmatige daad respectievelijk tekortkoming. De erfgenamen van de HBU-cliënt klagen in cassatie ook over de beslissing van het hof dat de cliënt door het faillissement van het fonds in 2006 met voldoende zekerheid wist dat zijn schade door een tekortkoming van HBU was veroorzaakt. Die klacht heeft wél succes, om een procesrechtelijke reden die wij hieronder bespreken. Interessant is dat de Hoge Raad spreekt (rov. 3.4.2) over bekendheid van de HBU-cliënt “met de Bank als de voor zijn schade aansprakelijke persoon”. Daardoor wordt de extra voorwaarde van de bekendheid met het verband tussen schade en de voor de schade aansprakelijke persoon, niet betrokken op de schade maar op de aansprakelijke persoon, wat naar onze mening ook zuiverder is.

Eigendom van vruchten (art. 5:1 lid 3 BW): de merrie en haar veulen.

Art. 5:1 lid 3 BW bepaalt dat de eigenaar van een zaak, behoudens rechten van anderen, eigenaar wordt van de afgescheiden vruchten. Hieruit volgt, aldus HR 17 oktober 1986, NJ 1987/985 (Van Olmen/Van Olmen), dat de eigenaar van een merrie eigenaar is van haar veulens. In een recente Duitse uitspraak werd die regel op de proef gesteld. Een succesvolle dressuur-merrie werd in 2011 ondergebracht bij een paardenhouderij. De eigenaar van de merrie sprak met de paardenhouder af dat deze de merrie voor eigen rekening zou verzorgen en trainen. In ruil daarvoor mocht hij de merrie om de een tot twee jaar laten insemineren, en het embryo laten overbrengen naar een eigen merrie. Aan die afspraak gaf de paardenhouder in 2012 uitvoering; nadat hij de bevruchte eicel had laten overbrengen naar een eigen merrie, beviel die in 2013 van het veulen. Voor dit veulen werd een paspoort en een eigendomsakte afgegeven, waarin de paardenhouder als eigenaar/fokker van het veulen werd genoemd. Dát was volgens de eigenaar van de dressuurmerrie in strijd met de afspraken; zij vorderde dat zij, als eigenaar van het genetische moederdier, als eigenaar/fokker van het veulen zou worden geregistreerd. Maar Bundesgerichtshof 20 februari 2020, no. III ZR 55/19 besliste dat het Landgericht Münster en het Oberlandesgerichtshof Hamm die vordering terecht hadden afgewezen, omdat de paardenhouder het gehele fokproces had bepaald, de dekhengst had uitgezocht, de draagmoeder-merrie had gekocht, de fokpremie had betaald en de kosten van de overdracht van het embryo had gedragen. De eigenaar van de dressuurmerrie had daarmee geen bemoeienis gehad.

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens selectieve betaling.

Er bestaat geen algemene regel op grond waarvan een schuldenaar die niet in staat is al zijn schuldeisers volledig te betalen, onrechtmatig handelt wanneer hij de vordering van een schuldeiser voldoet vóór andere schuldeisers, ook als hij daarbij niet rekening houdt met eventuele preferenties. In beginsel staat het (een bestuurder van) een vennootschap vrij op grond van een eigen afweging te bepalen welke schuldeisers van de vennootschap in de gegeven omstandigheden zullen worden voldaan, aldus HR 12 april 2019, BNB 2019/108, onder verwijzing naar HR 26 maart 2010, NJ 2010/189.

In HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:73 (Ingwersen q.q./X) had een vennootschap de schuld van een schuldeiser voldaan nadat de vennootschap haar eigen faillissement had aangevraagd. In antwoord op de vraag of de bestuurder van de vennootschap persoonlijk aansprakelijk was voor het feit dat de vorderingen van andere vennootschapsschuldeisers onvoldaan waren gebleven, overwoog de Hoge Raad dat de enkele grond dat die bestuurder na de faillissementsaanvrage heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap een of meer schuldeisers betaalt met voorrang boven andere vennootschapsschuldeisers, niet tot aansprakelijkheid van de bestuurder leidt. De bestuurder kan ter zake van deze benadeling wél persoonlijk aansprakelijk worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

Aansprakelijkheid van de toezichthouder.

HR 7 mei 2004, NJ 2006/281 (Duwbak Linda) besliste dat de uit de algemene verantwoordelijkheid van de Staat voor een veilig scheepvaartverkeer voortvloeiende verplichting bij de keuring van schepen met het oog op de afgifte of verlenging van een certificaat van onderzoek zorgvuldig te werk te gaan, niet de strekking heeft een in beginsel onbeperkte groep van derden te beschermen tegen de vermogensschade die op een vooraf veelal niet te voorziene wijze kan ontstaan doordat de ondeugdelijkheid en onveiligheid van het schip bij de door of onder verantwoordelijkheid van de Staat verrichte keuring ten onrechte niet aan het licht is gekomen.” HR 20 september 2019, RvdW 2019/964 (Schietincident Alphen aan den Rijn) besliste weliswaar anders met betrekking tot de Wet wapens en munitie maar kwam niet terug op het Duwbak Linda-arrest. In Duitsland geeft BGH 27 februari 2020, no. VII ZR 151/18 blijk van een stelligere opvatting dan de Hoge Raad. Het gaat in die zaak om de aansprakelijkheid van een “aangemelde instantie” als bedoeld in art. 16 van EG-Richtlijn 93/42 betreffende medische hulpmiddelen, die verantwoordelijk is voor de afgifte van een EG-conformiteitsmarkering waarmee een medisch product toegang krijgt tot de Europese markt. Een Duitse zorgverzekeraar heeft de kosten vergoed van ten minste 26 operaties waarbij bij wijze van voorzorgsmaatregel ondeugdelijke siliconen-borstimplantaten van de gefailleerde Franse onderneming Poly Implant Prothèse (PIP) werden verwijderd. De zorgverzekeraar heeft de Duitse aangemelde instantie die voor de implantaten een EG-conformiteitsmarkering had afgegeven, voor haar schade aansprakelijk gesteld. Het Oberlandesgericht Nürnberg had de vordering afgewezen, op de grond dat de verplichting om de implantaten te keuren en certificeren, niet strekt tot bescherming van verzekerden van de zorgverzekeraar. Maar volgens het Bundesgerichtshof strekt de EU-conformiteitsbeoordelingsprocedure mede tot bescherming van de gezondheid van de eindontvangers van medische hulpmiddelen en is het gezien de gezondheidsrisico’s die verbonden zijn aan het gebruik van defecte medische hulpmiddelen ook zinvol om individuele schadevorderingen tegen de aangemelde instantie toe te laten. Als de aangemelde instantie niet door patiënten aansprakelijk kan worden gesteld, zou dat afbreuk doen aan de betekenis en het doel van de conformiteitsbeoordelingsprocedure: om prikkels te voorkomen die indruisen tegen het doel van de conformiteitsbeoordelingsprocedure, moet de aangemelde instantie niet alleen blootstaan aan het risico van aansprakelijkheid jegens de producent wiens product als gevolg van een te strenge beoordeling niet tot de markt wordt toegelaten, maar ook aan het risico van aansprakelijkheid jegens derden in het geval een ondeugdelijk product als gevolg van een ondeugdelijke keuring wél tot de markt wordt toegelaten.

De kwalitatieve aansprakelijkheid van een bezitter jegens zijn medebezitter.

Ingevolge HR 8 oktober 2010, NJ 2011/465 (Hangmat) geldt de kwalitatieve aansprakelijkheid van de bezitter voor de schade die een gevolg is van een verborgen gebrek in een opstal (art. 6:174 BW) ook jegens de medebezitter, zij het dat de benadeelde medebezitter de door hem geleden schade zelf dient te dragen voor zover dat overeenkomt met zijn aandeel in het bezit van de opstal. In HR 29 januari 2016, NJ 2016/173 (Imagine) is de rechtspolitieke keuze gemaakt om een vergelijke regel niet toe te passen op medebezitters van dieren. De medebezitter van een dier is zich bewust van het risico dat het dier schade veroorzaakt, hij roept dat risico ook voor zichzelf in het leven of houdt het in stand, en van hem kan daarom, eerder dan van de medebezitter van een opstal, worden verwacht dat hij zich tegen het risico van zodanige schade verzekert. Een poging om de Hoge Raad te bewegen de aansprakelijkheid van de bezitter van een dier jegens zijn medebezitter toch, al dan niet onder bijzondere voorwaarden, te aanvaarden, is gestrand in HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:150. De Hoge Raad lijkt daarbij het signaal te willen afgeven dat zo’n poging zinloos is, door het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO te verwerpen in een driemansformatie (met ongebruikelijke samenstelling).

Condicio sine qua non-verband tussen tekortkoming en schade.

De aansprakelijkheid van HBU voor het verloren gaan van beleggingen in een fonds dat belegde in termijntransacties in bollen van nieuwe tulpenrassen was ook aan de orde in HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:28 (Deutsche Nederland/X). Het hof had beslist dat de bank was tekortgeschoten in de nakoming van haar zorgplicht jegens haar cliënt doordat dat zij haar client er niet op had gewezen dat zij geen eigen oordeel had over het prospectus van het Fonds en daarmee bij hem de indruk had gewekt dat zij achter het Fonds stond. Het hof verwierp het verweer van de bank dat deze tekortkoming geen schade aan de cliënt had veroorzaakt, omdat de cliënt zijn beslissing om in het Fonds te beleggen, had gebaseerd op het voorstel van de Bank, het voorlichtingsmateriaal dat hij via de Bank had ontvangen en zijn bezoek aan een voorlichtingsbijeenkomst waar ook de Bank was vertegenwoordigd. De Hoge Raad besliste echter dat deze laatste gedragingen niet de tekortkoming waren die het hof aan de bank had verweten, zodat het hof blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door mede op grond van die gedragingen het condicio sine qua non-verband met de door de cliënt geleden schade aan te nemen. Daaraan voegde de Hoge Raad met het oog op de procedure na verwijzing toe dat voor de beoordeling van de vraag of de schade in redelijkheid als gevolg aan de aan de bank verweten gedraging kan worden toegerekend (art. 6:98 BW), van belang kan zijn wat de bank te weten zou zijn gekomen als zij zich wel – overeenkomstig de indruk die zij heeft gewekt – een eigen oordeel over het prospectus had gevormd.

Condicio sine qua non-verband en de omkeringsregel bij productaansprakelijkheid.

Voor de toepassing van de omkeringsregel is volgens vaste rechtspraak vereist dat een gedraging in strijd is met de norm die strekt tot het voorkomen van een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade, en dat degene die zich op schending van deze norm beroept, ook bij betwisting aannemelijk heeft gemaakt dat in het concrete geval het (specifieke) gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden, zich heeft verwezenlijkt. In HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:27 (Vivat/ATF) heeft Vivat zich beroepen op schending van een uit de Machinerichtlijn en de ATEX-richtlijn voortvloeiende concrete norm die erop neerkomt dat de verwarmingselementen in een soldeermachine moeten zijn afgeschermd tegen brandbare dampen. Deze norm strekt specifiek ertoe bescherming te bieden tegen het gevaar van interne ontploffing. Het gevaar van een interne ontploffing heeft zich hier verwezenlijkt. Bij die stand van zaken kon het hof, aldus de Hoge Raad, niet de vordering afwijzen op de enkele grond dat niet kan worden uitgesloten dat een aanpassing van de machine de oorzaak van de brand in de machine is geweest. Als het hof in onzekerheid verkeerde over het condicio sine qua non-verband tussen de schending van de norm en de schade, had het hof de omkeringsregel dienen toe te passen.

Berekening van de schade die door een aansprakelijke partij moet worden vergoed.

Ingevolge art. 6:97 begroot de rechter de schade die een aansprakelijke partij moet vergoeden, op de wijze die het beste bij de aard van de schade past. De schade kan concreet of abstract worden berekend en zij kan worden geschat, maar uitgangspunt is steeds dat de schadevergoeding de benadeelde in financiële zin moet brengen in de toestand waarin hij zou hebben verkeerd als de schadeveroorzakende gebeurtenis was uitgebleven. Daarom heeft de concrete schadeberekening, waarbij acht kan worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, de voorkeur. Maar soms is het praktisch en/of billijk dat van een of meer omstandigheden wordt geabstraheerd. Zo wordt aanvaard dat het financiële nadeel van de eigenaar van een beschadigde zaak wordt bepaald op de door de beschadiging veroorzaakte waardevermindering, dus op de naar objectieve maatstaven berekende kosten van het herstel van de zaak. Er wordt dan geabstraheerd van omstandigheden die de bijzondere situatie van de benadeelde eigenaar betreffen.

HR 21 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:315 (Liander/Aon Meeùs) draait om schade die aannemers toebrengen aan gas- of elektriciteitsnetwerken die worden beheerd door Liander. Veel aannemers hebben hun aansprakelijkheid voor zulke schade verzekerd via tussenpersoon Meeùs, die de schades met Liander afwikkelt. Als een aannemer een door Liander beheerd netwerk heeft beschadigd, verzorgt eigen personeel van Liander het storingsherstel van de netten. Meeùs en Liander verschillen van mening over het juiste antwoord op de vraag welk bedrag daarvoor als schade van Liander kan worden opgevoerd. Liander heeft gevorderd dat wordt verklaard voor recht dat de uurtarieven die zij voor de werkzaamheden van het eigen personeel hanteert, voldoen aan de daarvoor geldende rechtsmaatstaven, indien deze tarieven niet wezenlijk afwijken van de tarieven die bij het herstel van leidingschades door een representatieve groep van Nederlandse beheerders van gas- en elektriciteitsnetten aan de aansprakelijken in rekening worden gebracht voor de werkzaamheden van het eigen personeel. Daartoe voert Liander aan dat het gaat om werkzaamheden die door eigen medewerkers plegen te worden verricht, en tot 1 januari 2019 zelfs slechts door eigen medewerkers móchten worden verricht. Meeùs bestrijdt de vordering; zij wil aansluiten bij het gemiddelde bedrag dat een representatieve groep aannemersbedrijven in soortgelijke gevallen in rekening brengt. Maar de Hoge Raad vindt dat niet kan worden geabstraheerd van de omstandigheid dat de storingsherstelwerkzaamheden feitelijk alleen door medewerkers van Liander kunnen respectievelijk mogen worden uitgevoerd. De door een storing veroorzaakte schade dient dus te worden begroot op de naar objectieve maatstaven vast te stellen kosten die een netbeheerder maakt om een dergelijke storing met inzet van eigen medewerkers te verhelpen. Tegelijkertijd vindt de Hoge Raad dat Liander onvoldoende objectieve aanknopingspunten heeft verschaft ter rechtvaardiging van de door haar gehanteerde tarieven. Om die reden is de vordering van Liander terecht door het hof afgewezen.

Schadevergoeding en ontbinding; het verzuimvereiste.

Behalve wanneer de nakoming van een verbintenis onmogelijk is, heeft de schuldeiser uit een verbintenis slechts recht op schadevergoeding wegens de niet-nakoming daarvan en/of kan hij de overeenkomst die de bron is van die verbintenis slechts ontbinden, als de schuldenaar in verzuim is (art. 6:74 lid 2 jo. art. 6:81 BW respectievelijk art. 6:265 lid 2 BW). De hoofdregel luidt dat verzuim ontstaat door een ingebrekestelling (art. 6:82 lid 1 BW; zie HR 23 maart 2007, NJ 2007/176 (Brocacef/Simons)), maar er zijn een aantal uitzonderingen, waarvan art. 6:83 BW er drie noemt. Ingevolge art. 6:83 sub a BW ontstaat verzuim van rechtswege als de schuldenaar de door hem verschuldigde prestatie niet verricht voordat een “fatale termijn” verstrijkt. Een fatale termijn moet tussen partijen zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid voortvloeien uit de aard van de overeenkomst in verband met de omstandigheden van het geval, aldus HR 4 oktober 2002, NJ 2003/257 (Fraanje/Götte). Een contractuele termijn wordt vermoed een fataal karakter te hebben, dat wil zeggen dat het verstrijken ervan in beginsel leidt tot het verzuim van de schuldenaar (HR 11 februari 2000, NJ 2000/275 (De Preter/Van Uitert)), maar partijen kunnen met betrekking tot de termijn iets anders overeenkomen. Zo staat in algemene voorwaarden vaak dat termijnen slechts het karakter van een streefdatum hebben. De vraag of partijen zijn overeengekomen dat een termijn geen fataal karakter heeft, moet worden beantwoord aan de hand van de haviltex-maatstaf. Een andere oorzaak voor verzuim van rechtswege is voorzien in art. 6:83 sub c BW: de schuldenaar deelt de schuldeiser mee dat hij de verbintenis niet zal nakomen – zoals wanneer de verzekeraar een verzoek om uitkering van de hand wijst.

In HR 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:141 hadden de partijen begin juli 2011 een mondelinge koopovereenkomst gesloten met betrekking tot een bedrijfsruimte, en afgesproken dat de koper de bedrijfsruimte uiterlijk in december 2011 zou afnemen. Op 6 december 2011 vertelde de koper zijn wederpartij echter dat hij eind 2011 niet zou kunnen afnemen. De schuldeiser ontbond daarop de overeenkomst, vorderde schadevergoeding en verhuurde het bedrijfspand aan een derde. Maar het hof besliste aan de hand van de haviltex-maatstaf – en in cassatie onaantastbaar – dat de termijn van eind december die partijen waren overeengekomen, géén fataal karakter had, zodat het verstrijken daarvan niet tot het verzuim van de koper had geleid. Daaruit volgde dat ook het subsidiaire beroep van de verkoper op art. 6:83 sub c BW geen kans van slagen had: de mededeling van de koper dat hij de bedrijfsruimte waarschijnlijk niet uiterlijk op 31 december 2011 zou afnemen, kon niet tot zijn verzuim leiden omdat er van een verplichting om de bedrijfsruimte uiterlijk op 31 december 2011 af te nemen, geen sprake was. Doordat 31 december 2011 geen fatale termijn was, leverde het feit dat de schuldenaar het bedrijfspand op 31 december 2011 niet afnam, geen tekortkoming op (HR 20 september 1996, NJ 1996/748 (Büchner/Wies); HR 27 november 1998, NJ 1999/380 (Van der Meer/Beter Wonen); HR 22 oktober 2004, NJ 2006/597 (Endlich/Bouwmachines); HR 11 oktober 2019, RvdW 2019/1056 (Fraanje/Alukon)). Omdat de verkoper ook geen ingebrekestelling had uitgebracht, bleek zijn ontbindingsverklaring niet het beoogde rechtsgevolg te hebben gehad. Integendeel, zijn ontbindingsverklaring heeft zijn eigen verzuim veroorzaakt (art. 6:83 sub c BW).

Geen verantwoordelijkheid van de verkoper voor misleidende klantreviews.

In de sport is de zogenaamde “Kinesiologie-Tape” populair. De tape ziet eruit als een brede pleister en is in verschillende felle kleuren verkrijgbaar. Hij zou helpen bij het bestrijden van pijn en moet ter plaatse van een pijnplek op de huid worden geplakt. De pretentie van pijnbestrijding is echter niet medisch bewezen. In Duitsland is daarom in 2013 aan een verhandelaar van de tape een verbod opgelegd om de pretentie van pijnbestrijding nog langer uit te dragen. Maar als deze handelaar de Kinesiologie-Tape te koop aanbiedt via Amazon, verschijnen er bij het product klantreviews met beweringen dat de tape pijn heeft verlicht, pijn heeft weggenomen, perfect is voor pijnbestrijding en merkbaar de pijn heeft verminderd. De verkoper van de tape wordt aangesproken op de reviews, die een overtreding zouden opleveren van het verbod dat hem in 2013 is opgelegd. Niet kan echter worden vastgesteld dat de verkoper van de tape verantwoordelijk is voor de reviews. Amazon heeft negatief gereageerd op zijn verzoek om de reviews te verwijderen. Bundesgerichtshof 20 februari 2020, no. I ZR 193/18 besliste dat de reviews, hoe misleidend ook, niet aan de verkoper van de tape kunnen worden toegerekend. Op hem rust dan ook geen rechtsplicht om de plaatsing van de reviews te voorkomen of ongedaan te maken.

Aansprakelijkheid van de advocaat.

Volgens HR 29 mei 2015, NJ 2015/267 (mr. B./Gerhardus) is een advocaat onder omstandigheden gehouden om bij de uitvoering van de opdracht van de cliënt rekening te houden met hem bekende of redelijkerwijs kenbare, gerechtvaardigde belangen van derden die in voor hen nadelige zin zouden kunnen worden geraakt door het (voorgenomen) handelen of nalaten waarop de dienstverlening van de advocaat betrekking heeft. Indien een advocaat weet of redelijkerwijs behoort te begrijpen dat sprake is van zodanige belangen en dat de betrokken derden door een (voorgenomen) handelen of nalaten op onaanvaardbare wijze in die belangen zouden kunnen worden geschaad, dient hij zijn dienstverlening aan de cliënt daarop af te stemmen. Daarbij valt te denken aan het ontraden van een voorgenomen transactie, of het waarschuwen van de cliënt voor de daaraan, in verband met de betrokken belangen van derden, verbonden risico’s. Bij het voorgaande geldt dat een advocaat mag afgaan op de juistheid van de hem door de cliënt verstrekte gegevens zolang in redelijkheid aanwijzingen van het tegendeel ontbreken, zoals thans in art. 7.2 lid 1 Verordening op de advocatuur is vastgelegd.

In HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:61 (Dingemans q.q./Banning) had een advocatenkantoor geadviseerd over een financiële transactie van haar cliënten, die een vliegtuig aan een derde verkochten onder het beding dat de koopsom niet aan hen zou worden betaald maar aan een aan hen gelieerde vennootschap. Vervolgens werden de cliënten van het advocatenkantoor verklaard. Hun curator stelde dat het advocatenkantoor jegens de schuldeisers van de cliënten aansprakelijk was doordat het kantoor bij zijn advisering van zijn cliënten geen rekening had gehouden met de belangen van die schuldeisers. Nadat de rechtbank die stelling had gehonoreerd, besliste het hof dat het advocatenkantoor niet jegens de schuldeisers van zijn cliënten aansprakelijk was. In cassatie stelde de curator onder andere de maatstaf aan de orde aan de hand waarvan het hof tot deze beslissing was gekomen. De Hoge Raad overwoog dat de advocaat bij de uitvoering van de opdracht van de cliënt geen rekening hoeft te houden met mogelijke belangen van derden, tenzij hij uit de hem door de cliënt verschafte gegevens of de overige omstandigheden van het geval redelijkerwijs behoort af te leiden dat zodanige, gerechtvaardigde, belangen door de van hem gevraagde dienstverlening op onaanvaardbare wijze kunnen worden geschaad. Het antwoord op de vraag of een advocaat redelijkerwijs tot de conclusie moet komen dat zodanige situatie zich kan voordoen – in welk geval hij onder omstandigheden nader onderzoek moet doen – is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De wetenschap dat de vennootschap waaraan de advocaat zijn diensten verleent, of de groep waarvan deze deel uitmaakt, financieel in zwaar weer verkeert, is daartoe op zichzelf niet voldoende, ook niet als de betrokken advocaat is gespecialiseerd in het insolventierecht. Tot de relevante omstandigheden behoort voorts ook de inhoud en reikwijdte van de opdracht aan de advocaat. Omdat het hof die maatstaf niet had miskend en zijn beslissing ook niet onbegrijpelijk was, verwierp de Hoge Raad de klacht van de curator.

Arbeidscontractenrecht in relatie tot het algemene contractenrecht. Vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrog van de werknemer.

In HR 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:213 is geoordeeld over de vraag of een arbeidsovereenkomst waaraan gedurende enige tijd uitvoering is gegeven, door de werkgever kan worden vernietigd wegens bedrog van de werknemer bij de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst. Kantonrechter en hof hadden deze vraag ontkennend beantwoord op de grond dat het in beginsel gesloten stelsel van het ontslagrecht vergt dat een buitengerechtelijke vernietiging van een arbeidsovereenkomst wegens bedrog vergt dat de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is gebleken, wat in casu niet vaststond. De Hoge Raad ziet het anders: de eis dat de arbeidsovereenkomst (vrijwel) geheel nutteloos is gebleken, mag niet worden gesteld. Als een werknemer een werkgever door bedrog beweegt met hem een arbeidsovereenkomst aan te gaan, kan de werkgever de arbeidsovereenkomst buitengerechtelijk vernietigen (art. 3:44 BW). Het wettelijk stelsel van het ontslagrecht staat daaraan niet in de weg, omdat dat niet strekt tot bescherming van een werknemer die bedrog pleegt bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst. De Hoge Raad wijst erop dat de rechter ingevolge art. 3:53 lid 2 BW desgevraagd aan de vernietiging geheel of ten dele haar werking kan ontzeggen als de reeds ingetreden gevolgen van de arbeidsovereenkomst bezwaarlijk ongedaan gemaakt kunnen worden, en dat afdeling 6.4.2 (onverschuldigde betaling) bepaling bevat die tot een vergoedingsplicht voor de werkgever kunnen leiden als de werkzaamheden die de werknemer inmiddels heeft verricht, voor de werkgever nuttig zijn geweest. Bovendien kan een beroep van de werkgever op vernietiging van de arbeidsovereenkomst wegens bedrog naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn (art. 6:248 lid 2 BW).

Arbeidscontractenrecht in relatie tot het algemene contractenrecht. Gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Een vergelijkbare nuance is te vinden in HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:283 (X/Victoria). De regels voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vormen met het oog op de bescherming van werknemers tegen willekeur van de werkgever een gesloten stelsel, Daarom moet de mogelijkheid van gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij wijze van uitgangspunt worden afgewezen: de wetgever heeft kennelijk niet in die mogelijkheid willen voorzien en het gaat, althans op dit moment, de rechtsvormende taak van de Hoge Raad te buiten om die mogelijkheid niettemin te creëren. Dat sluit niet uit dat de arbeidsovereenkomst onder omstandigheden gedeeltelijk kan worden ontbonden wegens een tekortkoming van de werknemer (art. 6:265 jo. art. 6:270 BW). Ook anderszins kan een situatie worden bereikt die in haar gevolg neerkomt op een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst: partijen kunnen schriftelijk overeenkomen dat zij de arbeidsovereenkomst gedeeltelijk beëindigen; op een algeheel ontslag zou een nieuwe, aangepaste arbeidsovereenkomst kunnen volgen; partijen kunnen onder omstandigheden gehouden zijn in te stemmen met een voorstel van de wederpartij tot wijziging van de arbeidsovereenkomst, dat in resultaat neerkomt op een gedeeltelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Verder kan de werknemer – als verweer of als tegenverzoek – een voorwaardelijk voorstel tot wijziging van de arbeidsovereenkomst doen in het kader van een procedure waarin de werkgever ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzoekt, en juist dit wijzigingsvoorstel kan de redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegnemen, zodat het ontbindingsverzoek moet worden afgewezen.

Passendheid en noodzakelijkheid aftoppingsregeling in sociaal plan.

Voor de derde keer in korte tijd heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over over onderscheid naar leeftijd in ontslagregelingen voor oudere werknemers. Zie eerder HR 19 april 2019, RvdW 2019/524 (X/NXP) en HR 20 december 2019, NJ 2020/42 (Nederlandse Politiebond/ABP). In de zaak die heeft geleid tot HR 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:114 (ABN AMRO/X) ging het om een bank-medewerker (geboren in 1952) die met ingang van 1 augustus 2015 boventallig was verklaard wegens het vervallen van zijn functie ten gevolge van een reorganisatie. Op grond van het sociaal plan werd de stimuleringsregeling voor de werknemer “afgetopt” omdat hij gebruik kon maken van vroegpensioen. De werknemer vorderde dat ABN AMRO zou worden veroordeeld tot betaling van een ontslagvergoeding. Daaraan legde hij ten grondslag dat de aftoppingsregeling van het sociaal plan nietig was wegens verboden leeftijdsdiscriminatie (art. 13 WGBLA). Kantonrechter en hof volgden de werknemer. Het hof oordeelde dat de aftoppingsregeling een direct en ongeoorloofd onderscheid naar leeftijd maakt omdat zij niet een passend en noodzakelijk middel is tot realisering van het doel van de bank, het bewerkstelligen van een eerlijke verdeling van de beschikbare middelen onder alle bij het ontslag betrokkenen. De Hoge Raad overweegt, conform de rechtspraak van het HvJEU, dat de nationale rechter bij de beoordeling of een maatregel passend en noodzakelijk is, in redelijkheid de gestelde, ter zake dienende omstandigheden dient af te wegen (HR 13 juli 2012, NJ 2012/547 (KLM)). Wat de passendheid betreft, dient de rechter te onderzoeken of de bestreden maatregel niet kennelijk ongeschikt is om het daarmee nagestreefde legitieme doel van het sociaal en werkgelegenheidsbeleid te bereiken. In dat verband geldt dat eenvoudige algemene verklaringen van de werkgever ten betoge dat een bepaalde maatregel geschikt is om bij te dragen tot het beleid op het terrein van de werkgelegenheid, de arbeidsmarkt of de beroepsopleiding, niet volstaan om aan te tonen dat het doel van die maatregel een afwijking van het beginsel van non-discriminatie kan rechtvaardigen en evenmin gegevens verschaffen op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat de gekozen middelen geschikt waren ter bereiking van dat doel (HvJEU 5 maart 2009, C‑388/07, ECLI:EU:C:2009:128 (Age Concern)).

Wat de noodzakelijkheid betreft, dient de rechter te onderzoeken of de bestreden maatregel verder gaat dan noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de nagestreefde doelen en op excessieve wijze afbreuk doet aan de belangen van de werknemers die de bedongen pensioenleeftijd bereiken, waarbij de maatregel in zijn eigen regelingscontext dient te worden geplaatst en rekening moet worden gehouden met zowel het nadeel dat daaraan kleeft voor de betrokken personen als met het voordeel daarvan voor de samenleving in het algemeen en voor de individuen waaruit zij bestaat (HvJEU 12 oktober 2010, C-45/09, NJ 2011/2 (Rosenbladt)).

Tegen deze achtergrond oordeelt de Hoge Raad dat de klachten van de bank slagen, omdat het oordeel van het hof over de passendheid en de noodzakelijkheid van de aftoppingsregeling niet berust op een afweging in redelijkheid van de gestelde, ter zake dienende omstandigheden.

De mededelingsplicht van de verzekeringnemer/uitkeringsgerechtigde.

Art. 7:930 lid 5 BW ontslaat de verzekeraar van zijn verplichting tot uitkering aan de verzekeringnemer of derde, die bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst zijn verplichting heeft geschonden om aan de verzekeraar alle feiten mee te delen die hij kent of behoort te kennen waarvan, naar hij weet of behoort te begrijpen, de beslissing van de verzekeraar of en, zo ja, op welke voorwaarden hij de verzekering zal willen sluiten, afhangt of kan afhangen, en die daarbij het opzet heeft gehad om de verzekeraar te misleiden. Art. 7:945 lid 5 BW ontslaat de verzekeraar van zijn uitkeringsplicht als de verzekeringnemer of uitkeringsgerechtigde die van de verwezenlijking van het verzekerde risico op de hoogte is, zijn verplichting schendt om de verzekeraar op de hoogte te stellen of hem daarbij alle inlichtingen en bescheiden te verschaffen die van belang zijn voor de beoordeling van de uitkeringsplicht, en daarbij het opzet heeft de verzekeraar te misleiden. HR 25 maart 2016, NJ 2016/382 (M/ASR) besliste dat onder opzet tot misleiding in de zin van art. 7:930 lid 5 BW moet worden verstaan dat de verzekeringnemer niet aan zijn in art. 7:928 BW bedoelde mededelingsplicht heeft voldaan met de bedoeling de verzekeraar ertoe te bewegen een overeenkomst aan te gaan die hij anders niet of niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten. In HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:311 (De Amersfoortse/X) antwoordde de Hoge Raad bevestigend op de vraag of aan de woorden ‘met het opzet de verzekeraar te misleiden’ in art. 7:941 lid 5 BW een betekenis moet worden toegekend die die aansluit bij de betekenis die daaraan toekomt in het kader van art. 7:930 lid 5 BW. Art. 7:930 lid 5 BW en art. 7:941 lid 5 BW regelen op vergelijkbare wijze en, wat betreft het opzet tot misleiding, in gelijke bewoordingen, in welk geval de meest vergaande sanctie (algeheel verval van het recht op uitkering) kan worden verbonden aan schending van een mededelingsplicht die van belang is voor de beoordeling door de verzekeraar van zijn bereidheid tot dekking van het desbetreffende risico, respectievelijk van zijn gehoudenheid tot uitkering nadat het risico is verwezenlijkt. Bij de beantwoording van de vraag of de verzekeringnemer of de tot uitkering gerechtigde met de schending van de in art. 7:941 lid 2 BW bedoelde mededelingsplicht het opzet heeft gehad de verzekeraar te misleiden, moet worden onderzocht of daarbij de bedoeling heeft voorgezeten de verzekeraar te bewegen tot het verstrekken van een uitkering die hij zonder die schending niet zou hebben verstrekt.

Burgerlijk procesrecht

Een plicht tot motivering van de afwijzing van een verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU.

Als voor een nationale rechter wiens beslissing niet vatbaar is voor hoger beroep, een vraag rijst over de wijze waarop een unierechtelijke rechtsregel moet worden uitgelegd, verplicht art. 267 lid 3 VWEU hem om daarover een prejudiciële vraag te stellen aan het HvJEU. Deze rechter kan volgens HvJ EG 6 oktober 1982, zaak C-283/81, NJ 1983/55 (Cilfit) alleen van het stellen van een prejudiciële vraag afzien als de vraag over de juiste uitleg van de unierechtelijke rechtsregel (a) niet relevant is voor de oplossing van het geschil, (b) kan worden beantwoord aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie (acte éclairé) of (c) redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de vraag moet worden beantwoord (acte clair). Niet zelden vindt een rechter dat een van de zogenaamde Cilfit-criteria van toepassing is, terwijl een partij dat anders ziet. De Nederlandse Staat werd onlangs aangesproken op de weigering van de Hoge Raad om een prejudiciële vraag aan het HvJEU te stellen, maar HR 21 december 2018, NJ 2019/156 (X/Staat) wees die aansprakelijkheid af, op de grond dat het aan de nationale rechter wiens beslissingen niet vatbaar zijn voor hoger beroep is om op eigen verantwoordelijkheid en op onafhankelijke wijze vast te stellen of een prejudiciële vraag aan het HvJEU gesteld moet worden. Uit HvJEU 4 oktober 2018, C-416/17 (Europese Commissie/Frankrijk) blijkt echter dat het HvJEU de beslissing van die rechter kan beoordelen: het HvJEU besliste dat Frankrijk art. 267 lid 3 VWEU had geschonden doordat de Franse Raad van State ten onrechte had nagelaten een prejudiciële vraag aan het HvJEU te stellen in een kwestie waarin redelijkerwijze ruimte voor twijfel bestond over de juiste uitleg van unierechtelijke rechtsregel.

ABRvSt 5 maart 2015, AB 2015/305 en HR 26 mei 2015, NJ 2015/337 staan op het standpunt dat een afwijzing van een verzoek om een prejudiciële vraag te stellen, niet behoeft te worden gemotiveerd. In de woorden van de Hoge Raad: in een uitspraak waarbij het cassatieberoep met toepassing van en onder verwijzing naar art. 80a dan wel art. 81 RO niet-ontvankelijk wordt verklaard respectievelijk wordt verworpen, besloten ligt dat geen aanleiding bestaat tot het stellen van een prejudiciële vraag. Maar dat standpunt, waarop in de literatuur al kritiek was geuit, is gelogenstraft door EHRM 13 februari 2020, n° 25137/16 (Sanofi Pasteur/Frankrijk). De Franse Cour de cassation had bij arrest van 12 november 2015, no. 14-17146, het cassatieberoep van Sanofi Pasteur verworpen en haar verzoek om een prejudiciële vraag te stellen aan het HvJEU afgedaan met de enkele overweging dat ze daartoe geen aanleiding zag. Dat was voor Sanofi Pasteur reden om bij het EHRM een klacht tegen Frankrijk in te dienen. Het EHRM heeft die klacht nu – met unanimiteit – gehonoreerd, met de overweging (rov. 77-81) dat art. 6 EVRM de rechter verplicht om de afwijzing van het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen, te motiveren in het licht van de Cilfit-criteria, en dat hij daarbij niet kan volstaan met de overweging dat er geen grond is om enige vraag aan het HvJEU voor te leggen.

De grondslag van de vordering of het verweer.

Art. 24 Rv verplicht de rechter de zaak te beslissen op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering of verweer ten gronde hebben gelegd. Sinds HR 1 oktober 2004, NJ 2005/92 (PSW/Stoppels) hanteert de Hoge Raad de negatieve formulering dat het de rechter niet vrijstaat om zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. In HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:23 (Trest/X) komt die regel tot toepassing. De zaak draaide om de vraag of de kennis die de ene partij, in casu Vankorneft, feitelijk had, kon worden toegerekend aan een andere partij, Trest, die die kennis feitelijk niet had. Volgens HR 11 november 2005, NJ 2007/231

(Ontvanger/Voorsluijs) moet met zulke toerekening terughoudend worden omgegaan; ze vergt in beginsel een wettelijke grondslag, zoals art. 3:66 lid 2 BW, dat bepaalt dat kennis van de gevolmachtigde rechtens heeft te gelden als kennis van de volmachtgever. Buiten de wet geldt de regel dat de kennis van een partij aan een andere partij kan worden toegerekend als de kennis van de eerste in het maatschappelijke verkeer als kennis van de tweede heeft te gelden (HR 11 maart 2005, NJ 2005/576 (Idee 2/P&F)). De twee toerekeningsgronden zijn van elkaar te onderscheiden (HR 29 maart 2019, NJ 2019/157). In de zaak Trest/X had het hof zijn afwijzing van een op bestuurdersaansprakelijkheid gebaseerde schadevergoedingsvordering van Trest gemotiveerd door de overweging dat Trest de schijn had gewekt dat Vankorneft bevoegd was om namens haar op te treden (3:61 lid 2 BW), zodat de wetenschap van Vankorneft over de hoedanigheid van de (door X bestuurde) contractspartij van Trest, op grond van art. 3:66 lid 2 BW aan Trest moest worden toegerekend. In cassatie klaagde Trest met succes dat bestuurder X zich niet tegen de schadevergoedingsvordering had verweerd met de stelling dat Trest een schijn van volmachtverlening had gewekt. De Hoge Raad stelde vast dat X inderdaad slechts had aangevoerd dat de kennis van Vankorneft aan Trest moest wordne toegerekend omdat dit paste in de economische verhoudingen tussen Vankorneft en Trest, er een nauwe relatie bestond tussen Vankorneft en Trest en Trest op de hoogte was van de contractuele verhouding tussen Vankorneft en de door X bestuurde contractspartij van Trest. Het hof had dan ook het verweer van X in strijd met art. 24 Rv aangevuld.

In de zaak Trest/X had het hof de vordering van Trest dus afgewezen op een ander verweer dan de gedaagde zelf had aangevoerd. Daaraan staat art. 24 Rv dus in de weg. Maar de regel dat het de rechter niet vrijstaat om zijn beslissing te baseren op rechtsgronden of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd, houdt ook in dat het de rechter niet vrijstaat de ingestelde vordering als zodanig toe te wijzen of het gevoerde verweer als zodanig te honoreren, met aanvulling van feiten en omstandigheden die in het geding zijn gebleken maar die door de desbetreffende partij niet aan die vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd (HR 24 juni 2005, NJ 2006/46 (Van Mierlo/Dimopoulos)). Dat was gebeurd in HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:20 (X/Deutsche Nederland), waarin het hof had geoordeeld over een beroep van Deutsche Nederland op verjaring van de schadevergoedingsvordering van haar cliënt. Als een partij zich tegen een vordering verweert met een beroep op verjaring, geldt het aanvullingsverbod a fortiori, omdat het de rechter niet vrijstaat om de verjaring ambtshalve toe te passen (art. 3:322 lid 1 BW; vgl. HR 29 december 1995, NJ 1996/ (Buyck/Van den Ameele)). Deutsche Nederland had aangevoerd dat haar cliënt al langer dan vijf jaar bekend was met de door hem gestelde tekortkoming van de bank toen hij de bank voor het eerst aansprakelijk stelde. De Hoge Raad constateerde dat het hof het beroep op verjaring had gehonoreerd met verwijzing naar feiten die de bank zelf niet had aangevoerd: het hof had spontaan overwogen dat de cliënt het voor het begin van de verjaringstermijn vereiste inzicht in de tekortkoming van zijn bank had verworven door het enkele feit dat hij had begrepen dat hij een hoger verlies zou lijden dan de door de Bank aan hem voorgespiegelde 18,3% van zijn inleg.

HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:70 draait om de vraag welk recht van toepassing was op het huwelijk van twee ex-echtgenoten. Volgens het hof wezen de verwijzingsregels van het Huwelijksvermogensverdrag weliswaar Nederlands recht aan maar zou toepassing van Nederlands recht een onaanvaardbare schending opleveren van het gerechtvaardigde vertrouwen van partijen in de toepasselijkheid van Jordaans soennitisch recht. Daarom honoreerde het hof het beroep van de man op art. 10:9 BW, dat bepaalt dat aan een feit waaraan rechtsgevolgen toekomen naar het recht dat toepasselijk is volgens het internationaal privaatrecht van een betrokken vreemde staat, ook in afwijking van het naar Nederlands internationaal privaatrecht toepasselijke recht, in Nederland dezelfde rechtsgevolgen kunnen worden toegekend voor zover de niet-toekenning van zodanige gevolgen een onaanvaardbare schending zou zijn van het bij partijen levende gerechtvaardigde vertrouwen of van de rechtszekerheid. Dat had het hof volgens de Hoge Raad is niet mogen doen: art. 10:9 BW is een bepaling van Nederlands commuun internationaal privaatrecht, die slechts toepassing kan vinden in gevallen die niet worden bestreken door een verdrag of een EU-verordening, of voor zover toepassing in een concreet geval verenigbaar is met een toepasselijk verdrag of een toepasselijke EU-verordening. Het Huwelijksvermogensverdrag bevat een gesloten stelsel van verwijzingsregels dat geen ruimte laat voor toepassing van art. 10:9 BW, en dient dus ook te worden toegepast indien toepassing van het aangewezen recht een onaanvaardbare schending zou opleveren van het bij partijen levende gerechtvaardigde vertrouwen of van de rechtszekerheid. Maar omdat in cassatie niet over de onterechte toepassing van art. 10:9 BW werd geklaagd, moest de Hoge Raad de toepasselijkheid van art. 10:9 BW in het onderhavige geval tot uitgangspunt nemen. De klachten over de wijze waarop het hof art. 10:9 BW had toegepast, verwierp de Hoge Raad vervolgens met toepassing van art. 81 RO.

Uitleg van gedingstukken.

Na de verkoop van een onderneming die datacenters exploiteert, vordert koper Equinix van verkoper Rooq onder andere schadevergoeding wegens de niet-nakoming van de contractuele garantieverplichtingen. Verkoper Rooq vordert in reconventie onder andere betaling van € 750.000 uit hoofde van een earn-outregeling. Bij incidentele vordering ex art. 843a Rv vordert koper Equini daarop inzage in bestanden waarop zij bewijsbeslag heeft gelegd. De rechtbank wijst de schadevergoedingsvordering van Equini af omdat zij is verjaard. Omdat bewijslevering door de koper daarom niet meer aan de orde is, wijst de rechtbank ook de inzagevordering af. De vordering in reconventie wijst zij grotendeels toe. Equini appelleert, maar het hof bekrachtigt het aangevallen vonnis. Daarbij overweegt het hof onder meer dat Equini onvoldoende kenbaar heeft gegriefd tegen de afwijzing van haar incidentele vordering ex art. 843a Rv. Daarover klaagt Equinix in incidenteel cassatieberoep met succes. Volgens HR 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:119 (Rooq/Equinix) laat de memorie van grieven van Equinix geen andere conclusie toe dan dat zij haar inzagevordering heeft gehandhaafd: aan haar grief tegen het verjaringsoordeel van de rechtbank heeft Equinix de gevolgtrekking verbonden dat alsnog een inhoudelijke beoordeling van haar inzagevordering moest volgen. Verkoper Rooq heeft het blijkens haar memorie van antwoord ook zo begrepen. Daar komt bij, aldus de Hoge Raad, dat de rechtbank de inzagevordering niet inhoudelijk heeft beoordeeld, maar heeft afgewezen op de grond dat de vordering die strekt tot schadevergoeding van de koper was verjaard. Bij die stand van zaken waren er geen overwegingen over de inzagevordering die Equinix nader had kunnen bestrijden. Het oordeel van het hof is dus onvoldoende gemotiveerd.

Het is vaste rechtspraak dat de uitleg van de processtukken is voorbehouden aan de feitenrechter. Daarom is die uitleg in cassatie slechts op begrijpelijkheid te beoordelen. Bij die beoordeling is van belang hoe de de wederpartij de gedingstukken blijkt te hebben begrepen, zoals deze uitspraak van de Hoge Raad bevestigt.

Mondelinge uitspraak. Gevolgen van overschrijding van de tweewekentermijn voor schriftelijke uitwerking.

Bij een mondelinge uitspraak van 27 augustus 2018 verlengde de rechtbank zowel de duur van de ondertoezichtstelling als de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van een meisje tot 13 september 2018, onder aanhouding van iedere verdere beslissing. Meer dan twee weken later, op 12 september 2018, wees de rechtbank een beschikking op schrift, waarin de duur van de ondertoezichtstelling werd verlengd voor het tijdvak van 13 september 2018 tot 30 augustus 2019 en de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing werd verlengd voor het tijdvak van 13 september 2018 tot 30 december 2018. De beschikking van 12 september 2018 bevatte tevens de uitspraak die op 27 augustus 2018 mondeling was gedaan, waarvan de schriftelijke weergave volgens de beschikking eveneens op 12 september 2018 was vastgesteld. Het hof bekrachtigde de beschikkingen van de rechtbank en verwierp daarbij de bezwaren van de moeder over de overschrijding van de tweewekentermijn voor de schriftelijke uitwerking van een mondelinge uitspraak verworpen. Tegen deze beslissing kwam de moeder in cassatie. HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:320 overwoog dat overschrijding van de in HR 20 april 2018, RvdW 2018/535 genoemde termijn van twee weken voor de schriftelijke uitwerking van een mondelinge uitspraak niet tot gevolg heeft dat de uitspraak nietig is. Ook anderszins kunnen aan de overschrijding van de termijn geen rechtsgevolgen verbonden worden. Dit strookt met hetgeen geldt ingeval mondeling uitspraak wordt gedaan op de voet van art. 30p NRv. De overschrijding van de in art. 30p lid 5 NRv genoemde termijn voor het na de mondelinge uitspraak verstrekken van een afschrift van het proces-verbaal, heeft evenmin nietigheid van de uitspraak tot gevolg. Indien de schriftelijke uitwerking van de mondelinge uitspraak te laat beschikbaar komt, dient weliswaar het rechtsmiddel zelf binnen de rechtsmiddeltermijn te worden ingesteld, maar kan dat eventueel op nader aan te voeren gronden. De termijn voor het aanvoeren van die nadere gronden dient zodanig te worden verlengd dat de wettelijke rechtsmiddeltermijn beschikbaar is, gerekend vanaf de dag volgende op die waarop de schriftelijke uitspraak beschikbaar is gekomen. Zie rov. 3.4.5 van de beschikking van 20 april 2018.

Hoger beroep van een beschikking op een verzoek tot ontbinding van een arbeidsovereenkomst.

In HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:283 (X/Victoria) en HR 21 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:284 worden regels geformuleerd voor de beoordeling van het hoger beroep tegen een beschikking van de kantonrechter op een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Er is vooral aanleiding voor een bijzondere regel als de kantonrechter het ontbindingsverzoek heeft toegewezen. Die toewijzing heeft namelijk onherroepelijk het einde van de arbeidsovereenkomst veroorzaakt; het hoger beroep van de werknemer schorst de tenuitvoerlegging van de ontbindingsbeschikking niet (art. 7:683 lid 1 BW) en de beslissing in hoger beroep kan ook niet tot gevolg hebben dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht wordt vernietigd. De appelrechter kan de werkgever slechts veroordelen om de arbeidsovereenkomst te herstellen, of om aan de werknemer een billijke vergoeding te betalen. Hiermee is volgens de Hoge Raad niet verenigbaar dat de appelrechter op grond van feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan ná de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter, zou kunnen oordelen dat de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ten onrechte heeft ontbonden. De appelrechter moet de vraag of de kantonrechter het ontbindingsverzoek van de werkgever terecht heeft toegewezen, dan ook beoordelen naar de toestand ten tijde van de beslissing van de kantonrechter. In zoverre oordeelt de appelrechter “ex tunc”. Dat doet echter niet af aan de herkansingsfunctie van het hoger beroep: het staat partijen vrij om zich in hoger beroep op andere feiten en omstandigheden te beroepen dan zij in eerste aanleg hebben gedaan, mits die feiten en omstandigheden zich hebben voorgedaan vóór de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter. En de vraag welke voorziening de appelrechter moet treffen, moet in overeenstemming met het uitgangspunt van het civiele appelprocesrecht worden beantwoord aan de hand van de ten tijde van de beslissing in hoger beroep bekende feiten en omstandigheden, ook indien deze zich hebben voorgedaan na de ontbindingsbeschikking. Ook het recht op en de omvang van de transitievergoeding en de billijke vergoeding dient de rechter in hoger beroep, in overeenstemming met het uitgangspunt van het civiele appelprocesrecht te beoordelen aan de hand van de hem ten tijde van de beslissing in hoger beroep bekende feiten en omstandigheden. In zoverre oordeelt de appelrechter “ex nunc”.

Als de kantonrechter het ontbindingsverzoek van de werkgever afwijst, blijft de werknemer in dienst van de werkgever. Als de appelrechter oordeelt dat het ontbindingsverzoek ten onrechte is afgewezen, bepaalt hij alsnog op welk tijdstip – dat niet in het verleden mag liggen – de arbeidsovereenkomst eindigt. Daarom dient de rechter in hoger beroep aan de hand van de hem ten tijde van zijn beslissing bekende feiten en omstandigheden te beoordelen of het ontbindingsverzoek ten onrechte is afgewezen. De appelrechter oordeelt in zo’n geval dus, overeenkomst het uitgangspunt van het civiele appelprocesrecht volledig “ex nunc”.

Wraking van de rechter.

In een lopende verzoekschriftprocedure bij het hof Den Haag onttrekt de advocaat van de verzoeker zich. De verzoeker verzoekt het hof vervolgens zelf bij brief om zijn zaak te verwijzen naar een ander hof en schrijft dat hij het hof wraakt voor het geval het zijn verwijzingsverzoek afwijst. Het hof wijst het verwijzingsverzoek af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank waarbij het verzoek in de hoofdzaak is afgewezen. Het hof gaat niet in op het wrakingsverzoek. Als de verzoeker zich daarover beklaagt, verklaart het hof de verzoeker alsnog niet-ontvankelijk in zijn wrakingsverzoek, op de grond dat het niet is ingediend door een advocaat, wiens bijstand verplicht is voorgeschreven. HR 7 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:155 (X/Stichting Enver) vernietigt. Op grond van art. 37 lid 5 Rv heeft een verzoek tot wraking van een rechter tot gevolg dat de behandeling van de zaak wordt geschorst totdat op het wrakingsverzoek is beslist. Het onderhavige wrakingsverzoek was voorwaardelijk ingediend, namelijk voor het geval het hof de zaak niet zou verwijzen. Toen het hof het verwijzingsverzoek had afgewezen, was de voorwaarde in vervulling gegaan en de verdere behandeling van de zaak dus geschorst. Het hof had op dat moment het wrakingsverzoek ter behandeling en beslissing aan de wrakingskamer moeten doorsturen.

Het hof heeft verzoeker niet zonder meer niet-ontvankelijk kunnen verklaren in zijn wrakingsverzoek, op de grond dat dit verzoek niet was ondertekend door een advocaat. Het hof had de verzoeker namelijk in de gelegenheid moeten stellen om dit verzuim te herstellen (art. 281 lid 1 Rv; zie ook HR 18 december 2015, NJ 2016/35; HR 18 december 2015, RvdW 2016/116 en voor een uitzondering HR 2 oktober 2009, NJ 2010/386).

Een rechterlijke beslissing kan als zodanig geen grond vormen voor wraking. Dat geldt zowel voor beslissingen in de hoofdzaak als voor daarmee verband houdende beslissingen van andere aard. Een wrakingsverzoek kan daarom niet met succes worden gedaan op de grond dat een door die rechter nog te nemen beslissing een bepaalde inhoud heeft. Hieruit volgt dat de afwijzing door het hof van het verwijzingsverzoek van verzoeker niet, ook niet voorwaardelijk, een grond voor wraking kan zijn. In casu heeft de verzoeker zijn wrakingsverzoek echter op andere, feitelijke gronden gebaseerd.

Bevoegdheid van het hof om de zaak aan zich te houden na vernietiging van een tussenvonnis.

Op grond van art. 356 Rv kan de appelrechter die een tussenvonnis vernietigt, de zaak ter verdere beslissing aan zich houden. Het is aan het beleid van de appelrechter overgelaten of hij al dan niet van deze bevoegdheid gebruikmaakt; dat beleid leent zich in beginsel niet voor toetsing in cassatie. De bevoegdheid om de zaak zelf af te doen, wordt wel begrensd door de eisen van een goede procesorde en in het bijzonder door het beginsel van hoor en wederhoor. Daarbij is echter uitgangspunt dat partijen rekening moeten houden met de mogelijkheid dat de appelrechter de zaak aan zich zal trekken en dus, voor zover de rechtsstrijd in hoger beroep daartoe aanleiding geeft, hun stellingen daarop moeten afstemmen. Zij kunnen in beginsel niet erop rekenen dat de appelrechter hen daartoe nog bij afzonderlijke beslissing gelegenheid zal geven.

HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:61 (Dingemans q.q./Banning) beslist dat de bevoegdheid van de appelrechter om na vernietiging van een tussenvonnis zelf de zaak af te doen, wordt niet begrensd door de keuzevrijheid van de geïntimeerde om ofwel ook zelf dadelijk te appelleren tegen het tussenvonnis waarvan hoger beroep is opengesteld dan wel tegen eerdere tussenvonnissen, ofwel daarmee te wachten totdat een later tussenvonnis of het eindvonnis is gewezen. Bij zijn afweging of hij al dan niet dadelijk incidenteel hoger beroep instelt, dient ook de geïntimeerde rekening te houden met de mogelijkheid dat de appelrechter gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om na vernietiging van het tussenvonnis de zaak zelf af te doen.

Proceskostenveroordeling ex art. 1019h Rv. Toepassing Indicatietarieven in IE-zaken gerechtshoven is geen recht in de zin van art. 79 RO. Verhouding met art. 14 Handhavingsrichtlijn.

In een geschil tussen de Russische Staatsonderneming FKP en Spirits (een private partij) over de vraag wie rechthebbende is op Benelux-merken voor wodka, heeft het hof Spirits als de meest in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Het hof heeft aan FKP aan salaris een bedrag van € 40.000 toegewezen (gebaseerd op de Indicatietarieven in IE-zaken gerechtshoven) nadat FKP een kostenstaat had overgelegd die sloot op een bedrag van € 178.707,91, welke kostenopgave door Spirits niet was bestreden. In een incidenteel cassatieberoep richt FKP verschillende klachten tegen de beperkte proceskostenveroordeling, waaronder de klacht dat het hof is uitgegaan van de verkeerde versie van de Indicatietarieven in IE-zaken gerechtshoven. HR 24 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:112 (Spirits/FKP) besliste dat de begroting van de proceskosten een beslissing is van feitelijke aard, die geen motivering behoeft. De Indicatietarieven die de rechtbanken, de gerechtshoven en de Hoge Raad hebben opgesteld en bekendgemaakt, zijn de rechter niet bindende richtlijnen – zoals daarin ook is vermeld – en zijn geen recht in de zin van art. 79 RO. Gelet daarop kan de klacht over de onjuiste versie van de Indicatietarieven gerechtshoven niet tot cassatie leiden.

FKS’s klacht over schending van het evenredigheidsvereiste van art. 14 Handhavingsrichtlijn heeft wél succes. De Hoge Raad stelt voorop dat het HvJEU met betrekking tot hetgeen moet worden verstaan onder ‘redelijke en evenredige gerechtskosten’ in art. 14 Handhavingsrichtlijn, heeft beslist dat deze bepaling zich niet verzet tegen een nationale regeling die een systeem van forfaitaire tarieven behelst voor vergoeding van de kosten voor de bijstand door een advocatuur, mits die tarieven waarborgen dat minstens een significant en passend deel van de redelijke kosten van de in het gelijk gestelde partij door de verliezende partij wordt gedragen. Het bedrag dat FKP in hoger beroep heeft gevorderd, is naar behoren heeft gespecificeerd en onderbouwd; Spirits vorderde in appel een aanzienlijk hoger bedrag. Wanneer de complexiteit die deze zaak heeft aangenomen, de omvang van de processtukken in hoger beroep en de door Spirits niet bestreden kostenspecificaties in ogenschouw worden genomen, moet worden geoordeeld dat het toepasselijke bedrag van de Indicatietarieven 2017 – maximaal € 40.000 – in dit geval niet kan worden beschouwd als ‘een significant en passend deel van de redelijke kosten’ die FKP in hoger beroep heeft gemaakt. In zoverre is sprake van een bijzonder geval als bedoeld in punt 7 onder (b) van de Indicatietarieven gerechtshoven 2017 en slaagt het middel, aldus de Hoge Raad. Hij doet de zaak zelf af door de veroordeling in de proceskosten in de bestreden uitspraak te vernietigen en ter zake een bedrag toe te wijzen ten belope van het dubbele van het standaardtarief voor complexe zaken, derhalve van € 80.000.