Regeling Fosfaatreductieplan 2017

De ministeriële regeling is gericht op reductie van het aantal GVE per melkveehouder. Elke melkveehouder zal zijn melkveestapel moeten reduceren tot het aantal op 2 juli 2015. Niet-grondgebonden bedrijven moeten daarbij nog een extra reductie doorvoeren en moeten uiteindelijk terug naar hun aantal op 2 juli 2015 minus 4%. Om de reductie van de veestapel geleidelijk te laten afnemen en veehouders te verplichten medewerking te verlenen aan de maatregelen, is in de regeling opgenomen dat voor het houden van teveel melkvee een geldsom moet worden voldaan.

De reductie van de melkveestapel per melkveehouder dient plaats te vinden aan de hand van een verminderingspercentage. Het verminderingspercentage is gekoppeld aan 4 periodes. In periode 1 (maart-april) geldt een percentage van 5%, in periode 2 (mei-juni) geldt een percentage van 10%, in periode 3 (juli-augustus) geldt een maximaal percentage van 20% en voor periode 4 en 5 geldt een maximaal percentage van maximaal 40%. Het verminderingspercentage moet worden toegepast op het doelstellingsaantal. Dit is het aantal GVE op een melkveehouderijbedrijf op 1 oktober 2016.

Naast het doelstellingsaantal geldt het referentieaantal. Dit is het aantal GVE op een melkveehouderijbedrijf op 2 juli 2015 voor grondgebonden bedrijven en het aantal op 2 juli 2015 minus 4% voor niet-grondgebonden bedrijven. De hoogte van de geldsommen wordt vervolgens bepaald aan de hand van het doelstellingsaantal en het referentieaantal.

 

Er gelden drie vormen:

  • hoge geldsom: als het gemiddeld aantal runderen meer is dan het doelstellingsaantal, dan moet een hoge geldsom worden betaald. Dit is het gemiddeld aantal runderen in de desbetreffende maand verminderd met het referentieaantal vermenigvuldigd met € 240,-.
  • solidariteits-geldsom: als het gemiddeld aantal runderen in een periode minder is dan het doelstellingsaantal, maar meer is dan het referentieaantal, dan moet een solidariteits-geldsom worden betaald. Dit is het gemiddeld aantal runderen in de desbetreffende maand verminderd met het referentieaantal vermenigvuldigd met € 56,-.
  • bonus-geldsom: als het gemiddeld aantal runderen in een periode lager is dan het referentieaantal, dan ontvangt een houder van melkvee een bonus-geldsom. Dit bedrag wordt bepaald aan de hand van het referentieaantal verminderd met het gemiddeld aantal runderen in de desbetreffende maand vermenigvuldigd met € 60,- in de perioden 2 en 3 en vermenigvuldigd met € 150,- in de perioden 4 en 5.

De Regeling Fosfaatreductieplan 2017 treedt in werking op 1 maart 2017

Bijzondere omstandigheden

Het aantal GVE op 2 juli 2015 is bepalend voor de mate waarin een bedrijf zijn melkveestapel moet laten inkrimpen. Indien sprake is van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan het aantal GVE op 2 juli 2015 in het voordeel van het melkveebedrijf moet worden bijgesteld, dan kan dit worden gemeld bij de minister. Er dient dan te worden aangetoond dat het referentieaantal minimaal 5% lager is door bouwwerkzaamheden, diergezondheidsproblemen, ziekte, ziekte of overlijden van een persoon van het samenwerkingsverband van de houder of een bloed- of aanverwant in de eerste graad, of vernieling van melkveestallen. De minister kan dan op verzoek het referentieaantal bepalen aan de hand van het aantal runderen dat voor de intreding van deze buitengewone omstandigheden is geregistreerd.

Let op:  Indien u een beroep wenst te doen op bijzondere omstandigheden, zoals hiervoor vermeld, dan dient u een verzoek in te dienen uiterlijk op 1 april 2017. Het verzoek om aanpassing van de referentie kunt u doen door het voorgeschreven formulier in te dienen bij RVO.nl. Het indienen van dit verzoek kan vanaf 1 maart 2017.

De ministeriële regeling is gebaseerd op de Landbouwwet. Volgens de staatssecretaris biedt de Landbouwwet voldoende grondslag voor de fosfaatreductiemaatregelen. Naar onze mening biedt de Landbouwwet echter niet de vereiste juridische basis voor het fosfaatreductieplan zoals dat recent is gepubliceerd. Op dit moment bereiden wij dan ook een juridische procedure voor om de regeling aan te vechten.

Standstill FrieslandCampina

Sinds januari 2017 geldt de standstill-maatregel van FrieslandCampina. Per maand wordt de hoeveelheid geleverde melk vergeleken met het vergelijkingsvolume. Dit vergelijkingsvolume betreft de hoeveelheid geproduceerde melk in de periode 1 januari 2016 t/m 21 maart 2016, of 20 augustus 2016 t/m 17 september 2016, of 13 november 2016 t/m 12 december 2016. Als de daadwerkelijke hoeveelheid geleverde melk meer bedraagt dan het vergelijkingsvolume, wordt een korting toegepast van 90% op de maandelijkse garantieprijs over de hoeveelheid melk boven het vergelijkingsvolume.

Tegen de achtergrond van de ontwikkelingen rondom het fosfaatreductieplan en de vragen omtrent de juridische houdbaarheid van de regeling is het de vraag of FrieslandCampina haar standstill-maatregel zal aanpassen. De standstill-maatregel liep immers vooruit op het fosfaatreductieplan en betreft niet een identieke maatregel zoals opgenomen in de Regeling fosfaatreductieplan 2017. De huidige standstill-maatregel van FrieslandCampina leidt voor een groep melkveehouders tot een (grote) korting op het melkgeld. Terecht worden ook vraagtekens geplaatst bij de rechtsgeldigheid van de huidige standstill-maatregel.

Conclusie

Zowel ten aanzien van de Regeling fosfaatreductieplan 2017 als ten aanzien van de standstill-maatregel van FrieslandCampina, trekken wij de rechtsgeldigheid en de juridische houdbaarheid sterk in twijfel. Indien u vragen heeft over de Regeling fosfaatreductieplan 2017 en/of de standstill-maatregel, dan wel een nadere toelichting wenst, dan kunt u contact opnemen met Joost de Rooij, Marieke Toonders, Esther Wijnen of één van onze andere agrarisch recht advocaten.

22 februari 2017